Symposium en boekpresentatie
 |
 |
| Verslag publicatie en symposium VBCN |
Aanleiding
De Vereniging Bedrijfscollecties Nederland is na vijf jaar uitgegroeid tot een bloeiende vereniging waar zich inmiddels 46 bedrijfscollecties bij hebben aangesloten. De VBCN is een platform van samenwerking voor de aangesloten leden, maar wil ook in dialoog treden met andere vertegenwoordigers uit het culturele veld, zoals het museale, commerciële of alternatieve circuit (kunstenaarsinitiatieven). Met de publicatie ”Bedrijfscollecties in Nederland” en het gelijknamige symposium toont de VBCN dat zij is uitgegroeid tot een professionele, open en dynamische vereniging, die onafhankelijk, grensoverschrijdend en stimulerend is.
Nederlandse bedrijven bezitten gezamenlijk een grote hoeveelheid kunst. Aan het fenomeen ‘corporate art collecting’ is nog weinig aandacht besteed en daarom gaat het debat over bedrijfscollecties in Nederland zelden over feiten, vaak over meningen en vooral over verwachtingen. In de publicatie en tijdens het symposium worden verschillende perspectieven gehanteerd om meer zicht te krijgen op de dynamiek achter Nederlandse bedrijfscollecties en hun impact op de kunstwereld. Naast een wetenschappelijke analyse van het fenomeen en een vergelijking met buitenlandse ontwikkelingen, komen enkele betrokkenen uit de Nederlandse kunstwereld aan het woord. De terugkerende vraag is hoe de intrinsieke waarde van de kunst zich verhoudt tot de bedrijfsmatige doelen die deze verzamelingen vaak ook moeten dienen. Welke taken zien de verschillende partijen in het culturele veld weggelegd voor de Nederlandse bedrijfscollecties, en op welke manier wordt de kunst daarmee gediend?
Het symposium
Datum: woensdag 11 november 2009
Tijd: 14.00 uur – 17.15 uur
Locatie: Machinegebouw, Westergasfabriek Amsterdam
Toegang: € 25,-
Het symposium werd geleid door Maarten Asscher, directeur Athenaeum Boekhandel.
Key-note speakers waren twee auteurs van het boek:
Arnold Witte, universitair docent Cultuurgeschiedenis aan de UvA, verrichtte het eerste onderzoek naar bedrijfscollecties in Nederland.
Lex ter Braak, directeur van het Fonds BKVB, schreef een prikkelend essay over de verhouding musea - bedrijfscollecties.
In twee panels reageren vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven, museumdirecteuren, kunstcritici en kunstadviseurs op de vele meningen en ideeën over het fenomeen bedrijfscollecties, zoals die ook in het boek worden beschreven.
Panel 1
Arnold Witte, universitair docent Cultuurgeschiedenis van Europa aan de UvA (onderzoek publicatie)
Femke Weijtens, corporate secretary DSM, lid kunstcommissie DSM
Elco Brinkman, voorzitter Bouwend Nederland en vice-voorzitter VNO-NCW
Hester Alberdingk Thijm, directeur AkzoNobel Art Foundation
Benno Tempel, directeur Gemeentemuseum Den Haag
Annet Gelink, galeriehouder Amsterdam
Panel 2
Lex ter Braak, directeur Fonds BKVB (essay publicatie)
Nout Wellink, president De Nederlandsche Bank
Meta Knol, directeur Lakenhal Leiden
Pietje Tegenbosch, galeriehouder Amsterdam en voormalig kunstadviseur ABN AMRO Bank
Jhim Lamoree, kunstcriticus en redacteur voor Het Parool
Sabrina Kamstra, hoofd Kunstzaken AMC en lid van de Amsterdamse Kunstraad.
Aansluitend werd het eerste exemplaar van het boek uitgereikt door Alexander Strengers, voorzitter VBCN, aan Elco Brinkman.
Een kort verslag van het symposium
Zo’n 200 mensen uit de bedrijfs-, museum- en galeriewereld komen op 11 november 2009 bijeen in de Amsterdamse Westergasfabriek om het functioneren van de collecties te bespreken. Twee panels met vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven, museumdirecteuren, kunstcritici, kunstadviseurs en het publiek reageren onder leiding van Maarten Asscher, directeur van Athenaeum Boekhandel Amsterdam, op de vele meningen en ideeën over het fenomeen bedrijfscollecties, zoals die ook in het boek worden beschreven.
“Weg met de schisma’s”, zo opent Alexander Strengers, voorzitter van de Vereniging Bedrijfscollecties Nederland, het symposium ‘Bedrijfscollecties in Nederland’ en de presentatie van het gelijknamige boek. Want over bedrijfscollecties wordt van alles geroepen, maar wat zijn de feiten en in hoeverre zijn deze bekend?
Van kunst in het bedrijfsleven wordt nogal wat verwacht, zo stelt Arnold Witte key-note speaker in zijn inleiding op de eerste paneldiscussie. Witte, één van de auteurs van het boek en universitair docent Cultuurgeschiedenis aan de UvA, verrichtte het eerste onderzoek naar bedrijfscollecties in Nederland.
Naast een educatieve, zelfs opvoedende functie moet kunst ook decoratief zijn, kwaliteit bezitten en het liefst ook in waarde stijgen en de corporate identity ondersteunen en versterken. Waar bedrijven in de jaren vijftig van de vorige eeuw het mecenaat als uitgangspunt voor kunstcollecties namen, staan de jaren zestig in het teken van de werknemers: een kunstzinnige bedrijfscultuur verhoogt de arbeidsproductiviteit. Later komt hier ook een verantwoordelijkheidsgevoel voor de culturele wereld bij.
Het zijn totaal overspannen verwachtingen, vindt Arnold Witte. Sommige werknemers ervaren kunst op de werkvloer juist als bijzonder negatief, een show-off van de managers en gaan kunstwerken soms zelfs te lijf. Een bedrijf moet duidelijk zijn over de beweegredenen voor het verzamelen van kunst en de daarmee gemoeide verwachtingen, wil de collectie een succes worden. Hij vindt dat bedrijfscollecties een hoofddoel moeten bepalen. Kiezen voor kunst voor de werknemers en ze dan ook inspraak geven. Kiezen voor Corporate Social Responsibility, Corporate Culture Responsibility. Misschien zelfs de communicatiespecialist kunst laten verzamelen.
Hester Alberdingk Thijm van de AkzoNobel Art Foundation noemt Wittes stellingen slechts woorden en stelt dat buiten de bedrijfscultuur vooral de autonome waarde van de kunst telt. Buiten het bezit van het bedrijf vervalt de legitimering waarmee de werken zijn aangekocht en blijft slechts de intrinsieke kwaliteit van de afzonderlijke werken over.
Femke Weijtens van DSM ziet een combinatie van functies voor bedrijfscollecties weggelegd. Waarom niet twee heren dienen en op hoog professioneel niveau verzamelen en kunst ook een dialoog laten aangaan met de corporate identity van het bedrijf en met thema’s die daarbinnen leven?
Kwaliteit is, zo blijkt uit de discussie, de algehele eis.
‘Museale’ kwaliteit voor Benno Tempel, directeur van het Gemeentemuseum Den Haag, want je neemt niet zomaar iets in je museum op. Maar ook niet in je bedrijfscollectie, aldus Hester Alberdingk Thijm. Benno Tempel heeft daarover zo zijn twijfels. Hij bladert door catalogi en weet vaak niet meer naar welke bedrijfscollectie hij kijkt. Het zijn vaak geen museale collecties, zegt hij. Weinig werken springen eruit. Vreemd, vindt Hester Alberdingk Thijm, dat musea dan zo vaak werk uit bedrijfscollecties in bruikleen vragen.
Lex ter Braak, directeur van het Fonds Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst schreef een essay in het boek en was tweede keynote speaker. In zijn inleiding op het tweede panel spreekt hij zijn waardering uit voor de bedrijfscollecties. Hij haalt vooroordelen onderuit. Zwakke werken in bedrijfscollecties? De kelders van musea zitten er vol mee zitten. Het museum verzamelt belangeloos en een bedrijf koopt alleen wat in waarde stijgt? Een museum dat werk aankoopt dat alleen in waarde daalt, heeft volgens Ter Braak heel wat uit te leggen. De verzameling van een museum belangeloos? Ook een museum wil wat zeggen met zijn collectie. Voor een kunstenaar kan het zelfs aantrekkelijker zijn om werk in een bedrijfscollectie te laten opnemen in plaats van in een museum, zo stelt Lex ter Braak. Terwijl in het museum veel kunstwerken in het depot belanden, hangen ze bij bedrijven tenminste nog aan de muur.
Maarten Asscher citeert uit het boek. Kunst verzamelen door bedrijven zou het afkopen van de ziel zijn. Nout Wellink, president van De Nederlandsche Bank noemt dat een volstrekt onzinnige opmerking. Als bank of bedrijf doe je samen met je personeel een investering in een ander deel van de samenleving. Collectioneren heeft niets met bankieren te maken, stelt hij. Dan leeft er ook het idee dat bedrijfscollecties ontoegankelijk zijn en geen vaste verblijfsplaats voor een kunstwerk garanderen, terwijl opname in een museum voor eeuwige roem staat. Wat vinden de kunstenaars eigenlijk zelf, vraagt Maarten Asscher. Kunstenaar Koen Vermeule staat op uit het publiek: ‘Bedrijfscollectie of museum, voor mij maakt het geen enkel verschil.’ Wat betreft de ontoegankelijkheid van bedrijfscollecties heeft Jhim Lamoree, kunstcriticus voor Het Parool, de oplossing: ‘In de Noord-Hollandse polder staat een verborgen schat leeg, het Scheringa Museum’. Slecht idee, vindt Sabrina Kamstra, hoofd Kunstzaken AMC en lid van de Amsterdamse Kunstraad. Bedrijfscollecties moeten zich niet opsluiten in een speciaal museum maar juist samenwerken. Bovendien zijn veel bedrijfscollecties wel toegankelijk. Neem de academische ziekenhuizen. Die zijn zeven dagen per week geopend. Over die toekomstige samenwerking tussen het bedrijfsleven en de museumwereld is iedereen het eens.
De vraag is in welke vorm. Meta Knol, directeur Lakenhal Leiden roept de bedrijven op te stoppen met collectioneren. Bied die kans aan musea. Zij pleit voor een nieuw mecenaat waarin bedrijven in samenwerking met musea opdrachten geven aan kunstenaars zodat de focus niet komt te liggen op zelf collectioneren maar op culturele productie. Lex ter Braak, vindt dat er vandaag nog een start met de samenwerking gemaakt moet worden. Samenwerking tussen universiteiten, musea, bedrijven, particulieren en kunstenaars. De overheid treedt terug en musea en kunstenaars zoeken naar andere partners om hun positie te versterken, zo niet te overleven. De verzamelaars zijn omarmd, nu nog de bedrijven, aldus Ter Braak. Natuurlijk zijn er verschillen maar die zijn volgens hem niet van hiërarchische maar van horizontale aard. Zonder bedrijfscollecties zou het kunstenlandschap in zijn ogen ”schraler, armetieriger en dorder” zijn.
Bronnen: notulen symposium, teksten Lex ter Braak, Arnold Witte, artikelen Roosvan Put, Robert-Jan Muller. |